Van paddenstenen en kikkerbotten.
De pad en de kikker zijn door de eeuwen heen vaak geassocieerd met de duivel, toverkrachten, magie en hekserij. Waarom eigenlijk? Een blik op de pad geeft al een hint: hij heeft zijn uiterlijk niet mee. De gelijkenis met dat wat als de duivel werd voorgesteld is makkelijk te herkennen. In de bulten achter zijn oren werden de horens gezien. En, zo was de veronderstelling, dat wat lelijk was moest ook wel slecht zijn. De transformatie van kikkervisje tot amfibie prikkelde de fantasie en riep verwondering op: want hoe was het mogelijk dat een dier eerst kon leven in het water en daarna op het land? Deze transformatiekracht zien we trouwens terug in het sprookje van de prinses die de kikker kust waarna hij in een knappe prins veranderd. In studies naar de verborgen boodschap, die in elk sprookje te vinden is, werd geopperd dat de kikker in dit sprookje de mannelijkheid symboliseert en zo de vrouw wilde voorbereiden op de transformatie van die mannelijkheid.
Het feit dat padden in droge tijden zich ingraven en maanden kunnen overleven zonder enig voedsel riep associaties op van de onderwereld, de dood en hernieuwd leven. De krachten die in de pad of kikker zouden schuilen waren dan ook dualistisch van aard. Goed en slecht, mannelijk en vrouwelijk, liefde en haat, ziekte en gezondheid. Door zijn connectie met water werd er gedacht dat hij regen op kon roepen en als een pad of kikker je pad kruiste kon je er zeker van zijn dat er vers water in de buurt moest zijn. Daar water het begin is van al het leven werd hij ook als symbool van vruchtbaarheid gezien. In het oude Europa werden beeldjes van de kikker of de pad op heilige plaatsen geofferd door vrouwen die een kinderwens hadden.
Padden werden als een waardevol medicijn gezien. Er waren zelfs speciale paddendokters. Delen van het dier werden in zijde gelegd en als amulet om de hals gedragen om ziekten zoals reuma te verdrijven. Als de patiënt niet onwel werd van de handeling zou het amulet succesvol zijn. Of het dier werd verbrand en het poeder diende als basis voor een medicijn tegen de pest. Spugen in de bek van het dier zou je van astma verlossen.
Kikkers en padden werden gebruikt in voodooachtige praktijken, maar ook om de liefde van je leven voor je te winnen. Hiertoe diende je een pad te vangen en te doden. Het botje dat de vorm had van een sleutel moest in het geheim vastgemaakt worden aan de jas van de gewenste partner met de volgende spreuk:
I do not want to hurt this frog, But my true lovers heart to turn, Wishing that he/she no rest may find, Till he/she come to me and speak his/her mind.
In het bezit van een specifiek paddenbotje zou je dieren naar je hand kunnen zetten. Het ritueel om zo’n botje te verkrijgen en het gebruik ervan was een diep verankerd onder de paardentemmers in Engeland tot halverwege de 20ste eeuw. Het ritueel werd al door Pliny beschreven en gaat als volgt: Zoek een pad met een gele ring om zijn nek. Wikkel het in een witte doek en begraaf het in een mierenhoop totdat al het vlees er af is gegeten. Werp met volle maan de beenderen in een stromende beek. Je mocht ze niet uit het oog verliezen, anders ging de duivel er met de krachten vandoor. Het bot wat bleef drijven en opwaarts dreef was het bot met magische krachten, welke je de macht gaf over mens en dier. Het ritueel gold als initiatie van de ambacht als paardenfluisteraar en met het bot had je compleet controle over het paard. Het botje werd vaak overgedragen van generatie op generatie. De zogenaamde Toadmen, zoals deze paardentemmers werden genoemd genoten behoorlijk aanzien. Het bot ritueel werd ook gebruikt als initiatieritueel onder de heksen. Om padden aan zich te binden als familiair woonden zij een kerkdienst bij maar hielden de hostie achter. Deze werd gevoerd aan de eerste pad die ze tegenkwamen. Ook dit was een onderdeel van een initiatieritueel.
In de kop van een oude pad zou een magische steen zitten. De steen, beschreven door Pliny als bruin tot geel met een blauwe vlek in het midden, bol van boven en hol van onderen, zou je beschermen tegen vergiftiging. In de buurt van vergif zou het warm worden. De steen diende bemachtigd te worden voordat de pad zou overlijden. Maar als je hem op een rode stof zou plaatsen zou hij hem vanzelf uitspugen. Je moest wel snel zijn, want de pad zou hem direct weer opeten. Een leerling van Pliny heeft tevergeefs bij de pad gewaakt, er kwam geen steen. Een ander heeft de pad ontleed en kwam tot de conclusie dat zich er geen steen bevond, maar dat het dak van de schedel als versteend was en aan de beschrijving voldeed. De paddensteen als amulet werd als zeer waardevol beschouwd, daar het je ultiem geluk en blijheid zou schenken. Het meest geschikt geacht als het gedragen werd in een ring. Een ring uit de 14de eeuw zou een paddensteen bevatten, maar het blijkt om een gefossiliseerd bot van een vis te gaan. Of de steen werkelijk bestaat blijft dus een mysterie. Andere namen voor deze steen zijn: Bufoniet, Lapis Bufonis, Batrachites en Crapaudine.
Padden en kikkers werden als ideale familiaren of imps gezien. De dieren fungeerde als boodschappers, boden hulp bij magische praktijken en met hun aanwezigheid deelden zij hun krachten met de heks. Er werd goed voor hen gezorgd. Ze werden gewijd met water en gekleed in fluweel. Zij vergezelden de heks naar de sabbat. Je moest dan ook uiterst voorzichtig zijn als je een pad tegen kwam. Want als de pad door jouw toedoen gewond raakte of overleed riep je de vloek van de heks op je af. Veel padden scheiden een gif af als ze in gevaar zijn. Deze secretie heeft hallucinogene eigenschappen en werd volgens overlevering gebruikt in de vliegzalf van de heks. Gemengd met sap van een distel zou het de heks onzichtbaar maken.
Veel van deze rituelen zijn niet meer van deze tijd. Het doden van een dier voor het toepassen van magie is in mijn ogen niet gepast. Maar de mystiek rond deze dieren blijft. Hij is het totemdier van de metamorfose en transformatie. Symbool voor de ontwikkeling van je creatieve krachten. Hij inspireert tot het bewandelen van nieuwe paden, leert je te springen van het ene bewustzijn naar het andere en laat je zien hoe je onzichtbaar kan zijn. Padden corresponderen met aarde en Saturnus energie, kikkers met water en Maan energie. De meest bekende pad is Touchwood, de familiar van Catweazle.
De heksenhoed.
Een van de meest stereotype accessoires van de heks is wel de heksenhoed. Maar waarom dragen heksen die hoed? Waar komt dit gebruik vandaan? Heeft het nog een diepere betekenis?
Door de eeuwen heen zijn punthoeden in gebruik geweest door verschillende persoonlijkheden. De oudst bekende punthoed is gemaakt van goud. In eerste instantie dacht men te maken te hebben met een rituele vaas, maar de resten leer en wol die de binnenkant van het object bekleedde gecombineerd met de diameter van de opening deed hun besluiten dat het om een ceremonieel hoofddeksel zou moeten gaan. Over de herkomst tast men nog in de duisternis, maar het object is gedateerd als zijnde uit de 14de of 13de eeuw voor onze jaartelling! De zogenaamde Flamen waren priesters in het vroeg Romeinse rijk die hun leven wijdde aan een enkele God of Godin. Zij droegen een typisch gewaad waar de Apex, een hoofddeksel met een olijfhouten punt en een rand van wol, een onderdeel van was. In de vroege middeleeuwen waren punthoeden in de mode. Voorbeelden hiervan zijn de Hennin, een punthoed met een sluier aan de punt bevestigd, en de Copataine, die door een sluier onder de kin op zijn plaats werd gehouden. Zij werden gedragen door vrouwen in hogere standen.
In de 16de en 17de eeuw was de punthoed een vaak geziene dracht bij het gewone Engelse volk. Een mooi voorbeeld is de hoed van Robin Hood. Ook toen verdween het uiteindelijk uit het modebeeld maar bleef het langst in gebruik in agrarische gebieden.
Een opvallende betekenis van de punthoed werd gegeven door de filosoof John Duns Scotes, geboren in 1266 te Duns, Schotland. Hij gaf lessen aan de universiteit van o.a. Oxford en Cambridge. Hij stond bekend om zijn verschillende theorieën omtrent het leerproces. Een daarvan was dat het dragen van een punthoed het leren zou verbeteren. De apex werd door hem gezien als een kanaal waardoor kennis in de gedachte van de drager werd geleid. John Duns’ theorieën bleven populair tot de 16de eeuw toen Humanistische visies de overhand kregen. Zij gingen er vanuit dat het leren moest komen uit een innerlijke motivatie. Vanaf die tijd werd de Dunce cap ingezet als symbool van domheid en zo hoopte men dat door de vernedering de leerling zich beter in zou zetten.
Geen van bovenstaande verhalen vormen een direct bewijs van de afkomst van de heksenhoed. Sterker nog, de eerste houtsneden van heksen laten in het geheel geen punthoeden zien, maar de toen geldende haardracht. Het is waarschijnlijker dat de punthoed door de media aan de heks is gegeven, ieder met zijn eigen invulling, maar hoogstwaarschijnlijk om haar belachelijk te maken.
Met het ontstaan van de huidige hekserijstroming, die zijn wortels heeft in de vijftiger jaren, werd de heksenhoed in ere hersteld. Doreen Valliente noemde de heksenhoed als een visuele representatie van de kegel van kracht welke heksen oproepen tijdens hun rituelen middels zang, dans en concentratie. De kegel dient als drijfkracht om de wil te sturen naar een doel. De rand zou de coven symboliseren.
De magische bezem
Tegenwoordig wordt de traditionele bezem als het gereedschap van de heks gezien, maar het magische gebruik van de bezem heeft in meerdere culturen een rol gespeeld. Zo zijn er verschillende godinnen bekend die geassocieerd worden met de bezem. In China kennen ze Sao Ch’ing Nian, de vrouw van de bezem. Zij heerst over het mooie weer en wordt aangeroepen als het te lang regent. De Romeinen vereerden Devara. Zij regeerde over de bezems die gebruikt werden om de tempels te reinigen In de huizen van pasgeborenen werd zij ingezet om het kind te beschermen tegen demonen. Ook zij zou in staat zijn om met haar bezem de wolken te verdrijven. Lakshmi, de godin van rijkdom uit India bezoekt alleen die huizen die schoon zijn, en zodoende wordt de bezem versiert met offerande om haar te verwelkomen. Tenslotte kenden de Azteken Tiazolteotl. Tijdens haar riten werden bezems in het vuur gelegd zodat zonden werden weggeveegd.
In westerse culturen werd de bezem vooral gezien als een vruchtbaarheidssymbool. (de fallische overeenkomsten lijken me duidelijk) De bezem werd bereden en er werden sprongen gemaakt rond de graanvelden. Een mooi voorbeeld van sympathetische magie, waarbij de sprongen het graan toonden hoe hoog het moest gaan groeien. Ook hooivorken en schoffels konden voor dit doel dienen. Op de Britse eilanden was het gebruikelijk dat de bruid en bruidegom over de bezem in het huis sprongen om een vruchtbaar huwelijk af te dwingen. Om een huwelijk te ontbinden moest men achterwaarts over de bezem uit huis springen, voor dezelfde getuigen. Het bezemhuwelijk werd overigens door de kerk als onwettig beschouwd, daar deze niet in de kerk had plaatsgevonden. Het engelse besom (bezem) kreeg een dubbele betekenis: gewillige vrouw. De bezem heeft altijd symbool gestaan voor het huiselijke leven. In de middeleeuwen was het gebruikelijk om de bezem voor het huis te plaatsen of door de schoorsteen te steken als de vrouw des huizes niet aanwezig was. Het is makkelijk voor te stellen hoe de bezem op deze manier als beschermer van het huis werd gezien. Het is vrijwel zeker dat deze oude gebruiken als “inspiratiebron” hebben gediend in de verhalen die door de eeuwen heen over de bezem en met name het vliegen, zijn ontstaan.
Het grappige is dat rond de 11de eeuw men nog als heiden werd beschouwd als men geloofde dat een heks daadwerkelijk kon vliegen op haar bezemsteel. Het werd toen al geopperd dat het vliegen iets moest zijn wat in hun hoofd gebeurde. Met het verschijnen van de Heksenhamer draaide men het verhaal om. Je werd nu als heiden beschouwd als je niet geloofde dat een heks kon vliegen, hetzij lichamelijk of in de geest.
Ook het visuele beeld van de heks op haar bezem is aan verandering onderhevig geweest. Op de eerste afbeeldingen van heksen is de bezem geheel afwezig. Zij zou vliegen op een hooivork of achterwaarts gezeten op een geit, welke de duivel voorstelde. Pas later kwam de bezem in beeld, en wel met de borstel achter, waarmee zij haar spoor in de lucht wegveegt. Eind 17de eeuw verschijnt zij echter op kunstwerken met de borstel naar voren gericht. Vaak met een kaars die haar weg naar de sabbat zou verlichten. Er wordt wel gezegd dat heksen de bezem als magisch gereedschap gingen gebruiken omdat het niet als zodanig geïdentificeerd kon worden. De uitspraak “in de bezemkast” zou hiernaar verwijzen.
De oorsprong van de zogenaamde vliegzalf is omhult met vele fantastische verhalen. Feit is echter dat mandragora, een belangrijk ingrediënt van de vliegzalf, vroeger veelvuldig werd gebruikt als pijnstiller. Een zalf van de wortel werd ingezet bij vrouwenklachten zoals menstruatiepijn en baringspijn. Het is een bijzonder sterk kruid dat in een overdosis o.a. hallucinaties teweeg brengt. Het zou de bron kunnen zijn van de vlieg verhalen.
De traditionele bezem van de heks in de 21ste eeuw is gemaakt van een Essen steel, takken van de Berk en gebonden met Wilgentenen. De keuze van het materiaal is gebaseerd op de magische en praktische toepassingen. De Es is een buigzame houtsoort en vooral de jonge loten groeien kaarsrecht. Ook nu nog wordt essenhout het meest gewaardeerd als materiaal voor het vervaardigen van stelen voor tuingereedschap. Magisch gezien bied zij bescherming, voorspoed en gezondheid. Het staat symbool voor het mannelijke. De berk is traditioneel verbonden met reinigen. Het sap van de berk is een 1ste klas voorjaarsreiniger. De takken zijn het best te oogsten in de winter, voordat de sapstroom op gang komt, anders zal de boom dood”bloeden”. De berkentakken staan symbool voor het vrouwelijke. De wilg wordt magisch ingezet bij wensen en genezing. De schors van de wilg bevat een stof waarvan de aspirine is afgeleid en heeft pijnstillende en koortswerende eigenschappen. Mijn ervaring is dat de takken van de treurwilg zich het beste voor dit doel lenen. De Wilg correspondeert met de maan. Volgens traditie wordt er elk jaar tijdens Beltane een nieuwe bezem gemaakt en de oude verbrandt.
De bezem wordt vooral ingezet om de werkplek ritueel te reinigen. Vanaf het midden wordt er deosil (rechtsom) in een spiraal naar buiten geveegd. Visualiseer hoe alle negativiteit verdwijnt. Het reinigen van je werkplek zorgt ervoor dat je magie effectiever is. De bezem correspondeert met het element water. Daarnaast is de bezem nog steeds een ritueel voorwerp tijdens het handvasten, de trouwceremonie binnen de hekserij. Het bruidspaar springt over de bezem voor een gelukkig en vruchtbaar huwelijk.
BESOM SONG
Besom, besom long and lithe Made from ash and birch white Tied with thongs of willow bark In running stream at moonset dark
With a pentagram indighted As the ritual fire is lighted Sweep ye circle, deosil Sweep out evil, sweep out ill
Make the round of the ground Where we do the Lady’s will Besom, besom, lady’s broom Sweep out darkness, sweep out doom
Rid ye lady’s hallowed ground Of demons, imps and Hell’s red hound Then set ye down on Her green earth By running stream or Mistress’ hearth
Till called once more on Sabbath night To cleanse once more the dancing site
Het dilemma van het offeren.
Het woord wordt al snel geassocieerd met doden. In het woordenboek staat geschreven: “iets kostbaars aan een godheid opdragen door het te doden of te verbranden. Als paganist, heiden of heks stuit dit al snel tegen de borst. De meeste onder ons zullen van mening zijn dat het offeren van iets dat door moeder aarde tot leven is gebracht een belediging is voor de goden en godinnen. Daarbij lezen we in the Charge of the Goddess: “Nor do I demand aught of sacrifice, for behold, I am the mother of all things and my love is poured out upon the world”. Maar om het hier bij te laten is wat kort door de bocht. Al verafschuwen we bloedvergieten, het is wel degelijk een deel van de goden en godinnen die geëerd worden. Lugh is daar een sprekend voorbeeld van. Hij offert zichzelf om de mensheid van voedsel te voorzien en het voorbestaan te garanderen. En hiermee komen we direct tot de kern : Offeren is een zaak van vrijwilligheid, het wordt niet geëist. Iets willen doen om te eren of om te bekrachtigen. In deze optiek lijkt het me duidelijk dat het offeren van een dier hier niet passend is; het dier laat immers niet het leven uit vrije wil. Maar het vrijwillig offeren van een eigen druppel bloed kan dan heel speciaal zijn. Bloed is de meest persoonlijke representatie van ons zelf. Het bevat ons verleden, heden en de toekomst. Het houd ons warm, vervoerd voedsel en zuurstof naar onze cellen en zonder bloed gaan we dood. Het is de meest magische en spirituele substantie welke als geen ander onze woorden en daden kan bekrachtigen.
Maar offeren moet vooral op een breder vlak bekeken worden; het gaat niet alleen over bloedvergieten. Het is vooral de tijd, de aandacht, de concentratie en het toeleggen van jezelf om een band te scheppen met het al. Door een keuze te maken tussen een avondje op de bank voor je favoriete TV programma’s of een viering in het volle maanlicht is al een offer op zich. De tijd die je steekt in het verzamelen van attributen voor je ritueel. De rust die je neemt om te mediteren op de energie van een bepaalde god(in). Het kaarsje wat je brandt voor een bepaald doel. Een offer staat gelijk aan het tonen van respect. Dat wat je doet voor wat je lief hebt. En met respect voor het leven, de cyclus en moeder aarde heb je respect voor jezelf.
In het oosten is offeren een dagelijkse bezigheid. Elk offer heeft een speciale betekenis. Offeren wordt gezien als een oefening om materialisme tegen te gaan. Het offeren van voedsel, bloemen , wierook, water, licht en muziek hebben allen te maken met de traditie hoe een belangrijke gast ontvangen zou moeten worden. Het offeren van bloemen symboliseert gulheid, water: reiniging, wierook: discipline, licht: geduld, parfum: doorzettingsvermogen, voedsel: voeding voor de geest en muziek: wijsheid.
Doreen Valiente
Een ieder die the charge off the goddess heeft gelezen wordt geraakt door de diepere betekenis ervan. Bijna elke heks kent dit gedicht en het wordt wereldwijd gebruikt om de Godin aan te roepen en te eren. Het is daarom zo jammer dat maar weinig mensen weten wie het geschreven heeft. Haar naam is Doreen Valiente. Ze wordt wel de moeder van de Wicca genoemd.
Doreen Edith Dominy werd 4 januari 1924 geboren in Mitcham, zuid Londen. Ze groeide op in west Engeland, een gebied waar nog veel paganistische tradities in ere worden gehouden. Al op 7 jarige leeftijd toonde ze interesse in de bewegingen van de maan. Ze volgde de maanfases vanuit de achtertuin van haar ouders en speelde heksje op de bezem. Het gevoel dat het maanlicht mij toen gaf zette de toon voor mijn ontwikkeling zou ze op latere leeftijd zeggen. Vanaf haar 13de levensjaar begon ze te experimenteren met simpele magie. Haar ouders, erg religieus, waren bezorgd dat Doreen een heks zou worden. Doreen werd christelijk opgevoed en ging naar een christelijke school. Op haar 15de liep ze weg van school en weigerde daar terug te gaan. De drang om meer te weten over magie bleef, en ze las elk boek wat voor handen kwam. Vooral Charles Godfrey Leland, Aleister Crowley en Margaret Alice Murray waren haar favorieten.
Ze vond werk als secretaresse. In de vroege oorlogsjaren trouwde ze als 19 jarige een zeeman, die 6 maanden later sneuvelde op zee. Een trieste gebeurtenis waar veel jonge vrouwen mee te maken hadden tijdens de oorlog. In 1944 trouwde ze met Casimiro Valiente, een Spaanse vluchteling van de burgeroorlog. Met hem deelde ze de rest van zijn leven. Na de oorlog verhuisde ze naar Bournemouth, waar de rust en de folklore van de streek haar interesse voor de hekserij en het occulte weer deed oplaaien. In 1952 las Doreen een artikel over de coven New Forest. Deze coven had tijdens de oorlog een groot ritueel gehouden om de invasie van Hitler in Engeland te voorkomen. Nog altijd bezig met magie, schreef ze Cecil Williamson, eigenaar van een heksenmuseum, een brief, en vroeg om een contact adres. Hij stuurde de brief door naar Gerald Gardner. Ze kwamen met elkaar in contact en een jaar later, tijdens Litha, werd ze door hem ingewijd. Gardner heeft altijd beweerd dat zijn Boek der schaduwen materiaal bevatte die direct afkomstig was uit de New Forest coven, en dat het overleveringen waren van de oude religie. Het was Doreen echter opgevallen dat sommige passages van Aleister Crowley en Charles Leland waren. Toen ze Gardner er mee confronteerde vertelde hij dat de overleveringen fragmentarisch waren en hij ze zo goed hij kon had moeten aanvullen. Maar zei hij, als jij het beter kan, ga je gang. Doreen nam de uitdaging aan. Ze reconstrueerde het geheel, gaf haar eigen interpretatie van de oude religie en schrapte veel van Crowleys materiaal. In plaats daarvan gebruikte ze veel invloeden van Leland. Haar uitzonderlijke gave voor het maken van gedichten kwamen daar bij goed van pas. Het resulteerde in de basis voor de Gardneriaanse Wicca van vandaag.
De Nederlandse vertaling van the charge off the goddess:
Luister naar de woorden van de Grote Moeder, Die ook in oude tijden onder de mensen geroepen werd, Als je iets nodig hebt, ooit, Eens per maand, bij volle maan, Kom dan samen in het geheim en Vereer je de geest in Mij, Koningin van alle hekserij, Als je alle toverij wilt leren en Je haar diepste geheimen nog niet kent, Jullie leer ik wat nog in het duister verblijft. Ik, schoonheid van de groene aarde, De witte maan tussen de sterren en Het mysterie van het water dat vloeit, En het verlangen in het hart van de mensen, Ik spreek tot uw ziel: Sta op en kom in mij, Want ik ben de ziel der natuur Die leven geeft aan het universum Alles komt uit mij voort en In mij keert alles terug. En wie mij zoekt moet weten, Dat alle zoeken vergeefs is, Als je de mysteriën niet kent: Als je dat wat je zoekt, Niet in je innerlijk kunt vinden, Zul je het niet buiten jezelf tegenkomen. Want luister goed; Ik leef met je vanaf het begin, En ik ben datgene, Wat verder ligt dan het verlangen.
Door haar bijdrage aan the Book of Schadows van Gardner werd er meer de nadruk gelegd op de verering van de godin en ontplooide de hekserij zich tot een religie. Ze werd hoge priesteres naast Gardner. Toch begonnen er zich in 1957 scheuren te vertonen in de samenwerking tussen Doreen en Gerald. Dit kwam voornamelijk omdat Gardner steeds meer de publiciteit zocht. Doreen en andere leden van de coven vonden dat dit de veiligheid en de oprechtheid van de coven in gevaar bracht. Ze verliet de coven en startte een nieuwe met Ned Grove. Haar vriendschap met Garneer herstelde enkele jaren later, maar werd nooit meer als voorheen. Haar leven veranderde dramatisch in 1964. In dat jaar stierf haar moeder en Gerald Gardner. Mede door onenigheden binnen de Gardneriaanse Wicca, besloot Doreen zich aan te sluiten bij een andere traditie. Ze werd geïnitieerd in de Clan of Tubal-Cain welke werd geleid door Robert Cochrane. Robert noemde zichzelf erfheks en was de grondlegger van de 1734 traditie. Helaas Kwam Doreen er al snel achter dat zijn verhaal meer fictie dan realiteit bevatte. Openlijk verachtte hij de Gardneriaanse traditie en had een obsessie van drugs. Doreen verliet de coven. Later stierf Cochrane aan een overdosis belladonna tijdens een ritueel.
In de zestiger jaren kwamen heksen van de nieuwe generatie steeds meer in de publiciteit, terwijl de heksen van het eerste uur alleen met covenleden over hun praktijken praatten. Doreen vond als een van de weinigen een middenweg. Nooit heeft zij haar hekszijn ontkend en stond op voor het Paganisme als het moest. Na de dood van haar man (april 1972) begon Doreen met het schrijven van boeken: 'An ABC of Witchcraft' (1973), 'Natural Magic' (in 1975) en 'Witchcraft for Tomorrow' (in 1978). Door deze boeken werd ze gezien als een autoriteit op het gebied van hekserij en magie. Vele schrijvers zochten contact met haar en ze stond altijd klaar om haar kennis te delen en haar uitgebreide boekenverzameling ter beschikking te stellen. In de zeventiger jaren stond ze op om te protesteren tegen de Engelse regering die plannen hadden om een wet aan te nemen die de hekserij zou verbieden.Haar doorzettingsvermogen voorkwam dat de wet werd aangenomen.
In 1980 begon haar zoektocht naar Old Dorothy Clutterbuck. Zij zou de hogepriesteres zijn geweest die Gardner had ingewijd. Omdat er zo weinig over haar bekend was, werd er geopperd dat Gardner het allemaal had verzonnen. Na twee jaar zoeken vond ze de geboorte en overlijden akten die bewezen dat Dorothy wel degelijk had bestaan. Het verhaal over de zoektocht naar Dorothy is gepubliceerd in A witches bible van Janet en Steward Farrar. In 1989 schreef Doreen haar autobiografie The rebirth of witchcraft. Doreen heeft veel lezingen gegeven die georganiseerd werden door de Pagan Federation, welke is opgericht in 1971. Haar doel, om juiste informatie te verschaffen over het Paganisme en verkeerde opvattingen omtrent de religie weg te nemen deed haar in 1995 besluiten beschermvrouw te worden van het centrum voor Pagan Studies. Het centrum is opgericht door John Belham-Payne. Hij was haar laatste hoge priester en werkpartner.
De laatste jaren van haar leven vocht ze tegen kanker. Ondanks het feit dat ze fysiek steeds minder kracht had, bleef ze lezingen houden. Een fragment van haar laatste lezing:
"The initiaties of the ancient pagan Mysteries were taught to say 'I am the child of earth and Starry Heaven and there is no part of me that is not of the Gods". If we in our own day believe this, then we will not only see it as true of ourselves, but of other people also. We will for instance cease to have silly bickering between covens, because they happen to do things differently from the way we do them. This incidentally is the reason why I eventually parted from Robert Cochrane, because he wanted to declare a sort of Holy War against the followers of Gerald Gardner, in the name of traditional witchcraft. This made no sense to me, because it seemed to me, and still does, that as witches, pagans or whatever we choose to call ourselves, the things which unite us are more important than the things which divide us".
"I was saying this back in the 1960s", she continues, "in the days of the old Witchcraft Research Association and I repeat it today. However since those days we have, I believe, made great progress. We have literally spread worldwide. We are a creative and fertile movement. We have inspired art, literature, television, music and historical research. We have lived down the calumny and abuse. We have survived treachery. So it seems to me that the 'Powers That Be' must have a purpose for us in the Aquarian Age that is coming into being - "So Mote It Be". (Bron: www.controversial.com)
Ze stierf in het bijzijn van John Belham-Payne en zijn vrouw Julie op 1 september 1999 om 06:55. Haar boekenverzameling en magische objecten liet ze na aan het centrum voor Pagan Studies.
Het Altaar
In elke religie neemt het altaar een centrale plaats in en heeft globaal dezelfde functies. Het is de plek van samenkomst, voor verering van de goden, godinnen of voorouders, bezinning en offerandes. De vroegste altaren waren niet meer dan een rotsblok op markante plek in het landschap zoals een heuvel of onder een oude boom. Later kregen de altaren een plek in huishoudens en tempels. In het oude Rome had het altaar een prominente plaats in huis. Hier werden de lares vereerd, zonen van Hermes en Lara. Beeltenissen van deze goden werden op een hoge plaats in het huis gezet. Rijke families hadden hun eigen Lararium, een kapelletje. De Lares heersten over alle huiselijke aangelegenheden. Op het altaar werden kransen geplaatst en voedsel geofferd. In 392 na onze jaartelling werd dit Paganistische ritueel verboden door de christelijke leider Theodosius.
In Latijns Amerika werden altaren geplaatst op grote tempels. Mensen en dieren werden geofferd om de goden gunstig te stemmen. Speciale altaren ter ere van de zon werden gebruikt voor kronings riten. De oost-west lijn, het pad van de zon, bepaalde het ontwerp van de tempel en de stad er omheen.
Het is ironisch dat het altaar als oorspronkelijk heidens attribuut nu een prominente plaats in neemt in het christelijke geloof. De eerste christelijke altaren waren graftombes van martelaren. Samenkomsten werden gevierd in de catacomben. Zodoende werden de personen die overleden waren om hun geloof geëerd. Later werden er kerken gebouwd op het graf van heiligen. Als dit niet mogelijk was moest het altaar een reliek bevatten van de heilige of de martelaar. Het reliek werd met ceremonieel in de holte van het altaar geplaatst waarna het dichtgemetseld werd. Het altaar werd op de lijn oost west geplaatst, zodat er gebeden werd met het hoofd gericht naar het oosten. Dit concept heeft zijn oorsprong niet in het christendom, maar ze gaven er wel hun reden aan: Het was de richting van het licht, daar waar de eerste mens op aarde leefde, het aardse paradijs.
In de traditie van het Hindoeïsme is het huisaltaar een belangrijk element. Dagelijks worden er momenten ingelast om er te bidden, mediteren, zingen of geschriften te bestuderen. De riten aan het altaar kennen vele variaties. Van het simpel ontsteken van een olie lampje in de ochtend en avond tot kleine samenkomsten van familieleden en/of vrienden. Tijdens de Puja, een rite waarin een god(in), heilige of goeroe wordt geëerd, brand men wierook en offert bloemen en vegetarisch voedsel. De wierook staat voor de wensen die men heeft, de bloemen voor het goede wat in de mens bloeit en het fruit symboliseert de overgave en opoffering.
Het altaar van de heks kent vele verschijningen, en elke traditie heeft zijn eigen voorkeuren. Over het algemeen staat het altaar gericht naar het noorden, geassocieerd met het element aarde, de plek van het zijn. Het altaar kan verplaatst worden naar andere windrichtingen naar gelang van het seizoen of de aard van het ritueel. In de Gardneriaanse traditie staat het altaar in het midden van de cirkel. Het altaar kan een tafel of kast zijn, maar ook een boomstronk of een steen. Vaak wordt dit meubelstuk voor niets anders gebruikt. Meubels die ook voor andere doeleinden dienen worden vooraf gereinigd en bedekt met een (wit) kleed. Ook de inrichting van het altaar is per traditie verschillend. Soms wordt het altaar in 8 segmenten verdeeld, naar het wiel van het jaar, en heeft elk ritueel voorwerp een plek in een specifiek segment wat gekoppeld is aan een windrichting. De belangrijkste rituele voorwerpen zijn het pentakel, de wierook, het zout, de kaars(en), het rituele mes, de kelk met water en de ketel. De meeste tradities hebben twee kaarsen, één voor de god en één voor de godin. Het altaar wordt versierd met de kleuren, bloemen en bladeren van het seizoen. Ook stenen, veren en schelpen worden wel op het altaar gelegd. In het algemeen staat er alleen dat wat ook daadwerkelijk in het ritueel wordt gebruikt. Het altaar wordt omgeven door vier kaarsen, die net buiten de cirkel staan en de vier windrichtingen symboliseren. De cirkel is als het ware de tempel en wordt getrokken om het negatieve te weren. Het altaar als zodanig heeft geen permanent karakter, en wordt voor elk ritueel opnieuw opgebouwd. Rituele voorwerpen worden gewikkeld in witte zijde opgeborgen.
Symbolisch gezien staat het altaar voor de goddelijke aanwezigheid. De aandacht aan het altaar versterkt de band en het contact met de betreffende god(en) en godin(nen). Het opzetten en onderhouden van een permanent huisaltaar geeft je de kans om jezelf spiritueel te verrijken. Alles wat voor jou het goddelijke belichaamt kan daar een plek krijgen. Dit kunnen beeldjes of afbeeldingen van goden en godinnen zijn, maar ook de abstracte vormen van het goddelijke zoals bijzondere stenen, fossielen, schelpen, veren, afbeeldingen van de zon, maan of sterren. Het altaar kan gewijd zijn aan het seizoen, zodat je weer in contact komt met het ritme van de natuur. Alles wat je inspireert om contact te maken met andere realiteiten. Brand er kaarsen en wierook ter ere van alles wat je dierbaar is. Offer voedsel als dank. Groet in stilte als je er langs loopt. Neem regelmatig de tijd om er te mediteren of te reflecteren. Het is mijn ervaring dat kinderen het heel leuk vinden om betrokken te worden bij het onderhoud van het altaar. Kransjes van madeliefjes, beestjes van kastanjes, gevlochten gras, takjes versiert met veren of tekeningen zijn enkele voorbeelden waarmee een kind kan deelnemen aan de versiering van het altaar. Het bied de mogelijkheid om je kind te betrekken bij jouw kijk en beleving van spiritualiteit.
Thebaans schrift.
De meeste heksen herkennen direct het Thebaanse schrift, maar zelden is iemand in staat om haar zonder referentie te lezen of te schrijven. Het gaat om een zogenaamd dode taal, tekens waaraan geen klanken zijn verbonden. De letterfiguren worden gebruikt om teksten geheim te houden, zoals bijvoorbeeld in het boek der schaduwen, om talismannen en amuletten van een geheime naam te voorzien of om gereedschap te personaliseren. Het geeft een magische uitstraling en de betekenis is niet gelijk duidelijk. Het wordt wel gezegd dat het doel van het schrift is de gebruiker af te leiden van zijn moedertaal zodat de concentratie volledig ten goede komt aan het magische object waarop de karakters worden aangebracht. Het Thebaanse schrift wordt ook wel de Thebaanse runen genoemd, echter deze naam is niet correct. De karakters van het Thebaanse schrift zijn veel ronder van vorm en niet bepaald geschikt om in hard materiaal te krassen zoals dit met de runen word gedaan. Deze naam is ontstaan in de 20ste eeuw nadat men vermeende overeenkomsten zag met de runen. Ook de naam heksenalfabet is van recente oorsprong.
De oudst bekende bron van dit schrift is te vinden in het derde boek van Agrippa’s “Three books of occult philosophy” welke in 1531 te Antwerpen werd gepubliceerd. Hierin verwijst hij als bron naar Peter Appones (Petrus d'Abano), die weer verwijst naar Honorius of Thebes. Appones was een arts, filosoof en astroloog in de 14de eeuw. In zijn boek Conciliator beschreef hij o.a. hoe een patiënt kon genezen middels rituelen. In zijn visie had dit te maken met het feit dat een ritueel vertrouwen oproept. Hij zag een duidelijke verbinding tussen lichaam en geest en hoe die elkaar kunnen beïnvloeden. Zijn boek Heptameron handelt over riten om engelen aan te roepen voor elke dag van de week. Zijn werk met argus ogen bekeken en is uiteindelijk veroordeeld tot ketterij. Daar de uitspraak pas na zijn dood viel is zijn lichaam opgegraven en alsnog verbrand. Met Honorius of Thebes wordt hoogstwaarschijnlijk de auteur van Liber Juratus (the Sworne Book) bedoeld. Dit 14de eeuwse manuscript is een van de invloedrijkste teksten over de middeleeuwse magie. Niet te verwarren met de Grimoire of Honorius, wat een vervalsing betreft uit de 17de eeuw. Van de auteur is weinig bekend. Het verhaal gaat dat hij, zoon van Euclid, werd aangewezen door 89 magiërs uit Napels, Athene en Toledo, om hun werk te verzamelen in een boek van 93 hoofdstukken. Om het belangrijke werk uit de handen van de kerk te houden werden er slechts 3 kopieën gemaakt welke op het sterfbed doorgegeven mochten worden aan alleen die personen die gezworen hadden het zelfde te doen. (vandaar de titel van het boek) Het manuscript is niet meer compleet. Grote delen zijn verloren gegaan. Van het Thebaanse schrift is niets terug te vinden. Ook in de boeken van d’Abano is niets terug te vinden over dit schrift. Het enige aanknopingspunt dat wellicht verwijst naar oudere bronnen is de toewijzing van de Latijnse letters die Agrippa geeft voor de karakters van het schrift. De afwezigheid van de letters U, J en W vallen direct op. De letter W werd pas in de 11de eeuw als Latijnse letter geïntroduceerd, de U en J in de 15de eeuw. Als je een Thebaans schrift vindt die wel karakters heeft voor deze letters zijn deze op een later tijdstip erbij verzonnen om het alfabet compleet te maken. Het Thebaanse schrift kent geen cijfers. Voor de invoering van het Latijnse schrift gebruikte men Romeinse cijfers. Met deze verhalen lijkt het aannemelijk dat het schrift is ontwikkeld om belangrijke geschriften te coderen zodat alleen ingewijden toegang hadden tot de tekst, maar het kan ook heel goed een voorloper van het latijn zijn geweest, wat in de middeleeuwen de gangbare taal was voor magische of religieuze geschriften.
Tegen het eind van de 19de eeuw werd het schrift in gebruik genomen door de Golden Dawn en Ordo Templi Orientalis. Zij werden geïnspireerd door het boek “The Magus”van Francis Barrett uit 1801. Barret haalde voor zijn boek veel informatie uit de werken van Agrippa. Vervolgens introduceerde Gerald Gardner het in de Gardneriaanse Wicca. Vooral binnen deze traditie is het Thebaanse schrift populair; in andere tradities is dit veel minder.
Doreen Valiente maakte gebruik van het Thebaanse schrift in haar Boek der schaduwen zoals hier boven te zien is. De pagina werd gepubliceerd in het boek Charge of the goddess, wat na haar dood verscheen. In dit boek vind je vele afbeeldingen van haar rituele voorwerpen en haar gedichten.
De Toverstaf.
Het woord roept al snel de associatie op met heksen en goochelaars, maar de historie gaat verder dan dat. De staf is ceremonieel van karakter en heeft altijd symbool gestaan voor heerschappij, in de bredere betekenis van het woord. Personen die een staf droegen hadden aanzien, waren in zekere zin verheven of werden geacht speciale krachten te hebben. De staf bood hun bescherming of werd ingezet om gunsten af te dwingen. Aanhangers van Freud zien hier een fallisch symbool van dominantie.
Als voorbeelden noem ik de faraos met hun scepter, als heersers van hun volk. Mercurius met zijn Caduceus als boodschapper van de goden. Sinterklaas met zijn staf, als belichaming van goedheid die beloont wordt. En wat te denken van Mozes die zijn staf, gemaakt van de hazelaar, gebruikte om water uit de rotsen te slaan. Priesters in Indonesië droegen de zogenaamde 'tunggal panaluan' een ceremoniële staf waarin de kennis en macht van de voorvaderen huisde. De druïde, de man met de wijsheid van het woud, ging immer vergezeld van zijn staf. Er wordt wel gezegd dat de oorsprong van de toverstaf ligt bij de sjamanen, die de stok gebruikten om de drum te slaan en daarmee de toehoorder als het ware "bezielde". De wichelroede is misschien wel de meest toegankelijke toverstaf uit de geschiedenis, een ieder kon een Y vormige hazelaarstwijg bemachtigen om water te zoeken. De toverstok van de goochelaar lijkt wat banaal na het bovenstaande. Maar waarom is het traditioneel zwart met witte uiteinden? Ik zie hier de symbolisch de vereniging van tegengestelden.
Heksen en magiërs gebruiken hun staf als hulpmiddel om hun energie te concentreren en te richten. Traditioneel is de toverstaf van de heks van hout. Vorm, lengte en decoratie is per traditie verschillend. Populair is de gewoonte om voor de staf een maagdelijke tak te nemen. Dit wil zeggen een tak die niet ouder is als een jaar, zonder afsplitsingen. De tak wordt geoogst met een enkele snede, tijdens zonsopgang, op een woensdag. Merk op dat de zonsopgang wordt geassocieerd met het oosten en woensdag met Mercurius. Het tijdstip van oogsten beïnvloed de geleidingskracht. Als lengte neemt de heks de afmeting vanaf haar elleboog tot aan de vingertop van haar middelvinger. De dikte zoals haar vinger. Zo is de staf zeer persoonlijk. De keuze van het hout bepaald voor welke soort magie zij het meest geschikt is. Elk houtsoort heeft zijn eigen energie. Het hout van de hazelaar is door haar correspondentie met wijsheid geschikt voor algemeen magisch gebruik. De wilg, waarvan bekend is dat zij relatief veel water bevat, maakt een goede staf voor maan rituelen. De vlier, welke correspondeert met Saturnus is geschikt om hogere intelligenties op te roepen. Of de staf versierd, bewerkt of puur natuur gelaten wordt is geheel aan de gebruiker.Vaak worden er runen gekerfd en gebruikt men versieringen van natuurlijk materiaal. Elke keuze, of het nu om de houtsoort, het tijdstip van oogsten of de decoratie gaat, dient de gewenste geleiding te ondersteunen en het goede gevoel van de gebruiker op te roepen. Op deze manier wordt de toverstaf een verlengstuk van je eigen kracht. Er wordt nog wel eens minachtend gedaan over de grote vrijheid die heksen nemen in de manier waarop zij denken magie te kunnen bedrijven. Met name in de hogere magie is het vervaardigen van gereedschappen aan een groot aantal regels verbonden. Bedenk echter wel dat magie uiteindelijk in het hoofd gecreëerd wordt. Wiccas gebruiken over het algemeen meer hun Athame voor het richten van hun energie.
De toverstaf van de magiër is vaak van metaal, of hout wat bekleed is met edele metalen. De metalen corresponderen met de planeetinvloeden. Metalen staven worden wel gemagnetiseerd met behulp van elektriciteit of een magneet. De staven zijn vaak hol en gevuld met een vloeistof of poeder. De vloeistof is op alcohol of olie basis waarin kruiden en edelstenen hebben gelegen die corresponderen met het gewenste element. Dit alles om het geleidingsvermogen van de staf te verhogen. De staf wordt bewerkt met astrologische of andere magische tekens. Vaak worden edelstenen aangebracht. De magiër steekt veel tijd in het opladen van zijn staf met zijn wilskracht. De manier waarop en het doel waarvoor de toverstaf is geladen houd de magiër geheim, zodat de geleidingskracht van de staf nooit misbruikt kan worden.
De toverstaf komt in vele vormen en maten. De meest fantastische ontwerpen zijn voor eveneens fantastische prijzen te koop. Je zou haast denken dat de kracht van een toverstaf evenredig opgaat met de kostbaarheid van het materiaal. Maar dit is natuurlijk een grote misvatting. De toverstaf is uiteindelijk een symbool van de wil en de kracht van de gebruiker. De toverstaf zelf bezit geen magische kracht, maar werkt als geleider. De keuze van het materiaal kan de geleiding wel beïnvloeden. De beste Magiër zou dus in principe genoeg kunnen hebben aan elke willekeurige staf of zelfs zijn vinger. Denk maar eens aan het intimiderende gevoel van een simpele vingerwijzing!